Studentenraad TU Delft
Header

Reactie op rapport Brakels

November 11th, 2011 | Geplaatst door admin in BSA | Onderwijs | Onderwijsveranderingen

In januari dit jaar verscheen het rapport ‘Naar een bachelordiploma in vier jaar’ van de commissie Brakels. Dit is een adviesnotitie met maatregelen om de studievoortgang te bevorderen. Hieronder staat een uitgebreide reactie van ORAS op dit rapport.

Visie ORAS bachelordiploma

ORAS is van mening dat alvorens maatregelen worden genomen er eerst duidelijk moet zijn wat de achterliggende visie is op het bacheloronderwijs van de TU Delft en over welke kwaliteiten een student met een TU Delft bachelordiploma dient te beschikken. De visie van ORAS is dat studenten aan de TU Delft opgeleid worden tot maatschappelijk betrokken, zelfstandige ingenieurs met een academische houding en denkvermogen. Dit betekent dat van de universiteit wordt verwacht dat er voldoende motiverend en uitdagend onderwijs wordt aangeboden, dat de studenten prikkelt zelfstandig na te denken over complexe maatschappelijke problemen. Van studenten mag worden verwacht dat zij zich inzetten voor de studie en actief werken aan hun ontwikkeling tot de hierboven beschreven ingenieur. Belangrijk hierbij is ook de vrijheid voor studenten zelf het studieprogramma in te delen, om zich zowel binnen als buiten de studie te kunnen verdiepen en te verbreden. Vanuit deze invalshoek hebben wij gekeken naar het rapport en nagedacht over de huidige situatie op de TU Delft.

Maatregelen met positieve uitwerking

ORAS staat positief tegenover de onderstaande voorgestelde maatregelen uit de notitie.

1. Verbetering marketing en voorlichting

Een goede voorlichting over de inhoud, zwaarte en structuur van de studie bereidt aankomende studenten beter voor en kan demotivatie doordat de verwachtingen niet aansluiten bij de praktijk, voorkomen.

2. Persoonlijker onderwijs en structuur eerste jaar

ORAS is, zoals bekend, voorstander van persoonlijker onderwijs. Met persoonlijk onderwijs doelt ORAS enerzijds op meer begeleiding door docenten, studieadviseurs, mentoren en/of studentassistenten en anderzijds op de mogelijke voordelen van kleine onderwijsvormen.

Ten eerste is aangetoond dat met name in het eerste jaar betere begeleiding door docenten, gekoppeld aan de onderwijsmodule positief effect heeft op de slaagkansen van een student (Wijnen 1992, Admiraal et al., 1989)1. Daarnaast laat onderzoek naar studiebegeleiding, welke in het bijzonder gericht is op de verwachting van de student over de studie- en toekomstverwachtingen, zien dat studenten die niet op de juiste plek zitten eerder besluiten de studie te staken dan wanneer studenten hier niet in worden begeleid (Prins, 1998)2. Deze begeleiding is een taak van de studieadviseurs, die in staat moeten zijn de zwakke groep studenten op te sporen en te begeleiden. Ten derde zou er vooral in het eerste jaar meer moeten worden gekeken naar de begeleiding door (student)mentoren, die al ervaring hebben met het programma en de valkuilen van de studie, om nieuwe studenten beter op hun plaats te krijgen en eerder in het ritme van de studie te helpen. Daarbij dient ook goede begeleiding aan deze studentmentoren gegeven te worden met bijvoorbeeld coaching programma’s. Het zou eventueel door studiepunten of RAS-maanden kunnen worden ondersteund.

ORAS staat in principe positief tegenover het vormen van kleinere groepen, waar meer interactie en persoonlijke aandacht mogelijk is. Een voorwaarde hierbij is dat de kwaliteit van de docent en het college belangrijker is dan de ratio docent/student. Daartoe is het wenselijk om resultaten van de verschillende groepen tegen elkaar af te zetten; significante verschillen dienen snel gesignaleerd te worden om studenten gelijke kansen te geven op succes.

3. Afstudeertrajecten naar nominaal

ORAS deelt de mening dat afstudeertrajecten naar nominaal moeten om vertraging in de Masterfase te voorkomen, echter draait het rapport om de Bachelorfase. ORAS wil daarom aan dit punt toevoegen dat ook de trajecten van de bacheloreindprojecten naar nominaal moeten. Het komt te vaak voor dat bacheloreindprojecten en onderzoeken niet binnen de nominale tijd worden afgerond door toedoen van docenten en begeleiders. Door uitstel van de einddatum loopt een student vertraging op, of conflicteert het eindproject met een nieuwe periode. Het moet van tevoren duidelijk zijn wanneer de eindbeoordeling plaats zal vinden en op welke criteria de student beoordeeld zal worden.

4. Aanbieden planners

Het aanbieden van planners geeft studenten een completer beeld van het programma, inzicht in de opbouw van het curriculum en handvatten voor zelfstudie en het inschatten van tijdsinspanning. Daarnaast helpt het maken van een planner docenten om vakken goed op elkaar af te stemmen en bewuster na te denken over de studielast. Dit kan nog beter werken in combinatie met aandacht voor planningsvaardigheden in het curriculum, zoals positief naar voren kwam uit onderzoek (Schouwenburg, 1994)3. Goede studiebegeleiding blijft hierbij ook van belang.

Maatregelen met potentie

ORAS ziet potentie in de volgende maatregelen, maar is tegelijkertijd kritisch vanwege de verschillende manieren van uitvoering. ORAS zal per maatregel ingaan op welk doel hij bij de maatregel voor ogen heeft en de randvoorwaarden die nodig zijn voor een succesvolle implementatie.

1. Gedragscode en studiecultuur

Het idee van een gedragscode of studieovereenkomst zou voor zowel studenten als instelling een prikkel kunnen zijn om kritisch naar zichzelf te kijken. Voor de student zou dit betekenen dat hij/zij de verwachtingen van de opleiding voor ogen krijgt en tekent voor dat wat bij een academische werkhouding hoort. Indien afspraken uit het contract niet worden nageleefd, mag een student hier op aangesproken worden.

Tegelijkertijd mag de student van de opleiding verwachten dat het contract inzicht geeft in de opbouw van het curriculum, de einddoelen en de kwaliteitszorg van de opleiding. Als kwaliteit of structuur ontbreekt binnen het curriculum, mag de student de opleiding hierop aanspreken en kan verwacht worden dat er aantoonbaar actie op wordt ondernomen. ORAS is alleen voorstander van een dergelijke code wanneer de eisen niet betuttelend van aard zijn en aan zowel de student als de instelling worden gesteld.

Een dergelijke gedragscode kan in de goede invulling bijdragen aan een meedoen=afmaken studiecultuur. ORAS ziet de voordelen van een dergelijke cultuur in als hiermee wordt bedoeld dat studenten zich bewust inschrijven en inzetten voor hun vakken. De suggestie uit het rapport om deze cultuur te verwezenlijken door de student afhankelijker van de opkomst of inzet van zijn/haar medestudenten te maken, verwerpt ORAS ten zeerste. Dit beperkt de ruimte voor talent en excellentie en staat haaks op het streven naar ‘Ruim baan voor talent’.

2. Beoordeling compensatoir

ORAS is van mening dat het toestaan van onvoldoendes, zij het niet lager dan een vijf, in sommige gevallen wenselijk kan zijn. Echter ziet hij ook enkele bezwaren rond compensatoir beoordelen. Ten eerste mag het laten staan van een onvoldoende enkel plaatsvinden binnen een bepaald cluster van vakken. Het is ondenkbaar dat bijvoorbeeld een civiel ingenieur geen enkel mechanicavak heeft gehaald omdat deze cijfers konden worden opgevangen met managementvakken. Ten tweede wil ORAS nou juist een stimulerende sfeer waarin studenten streven naar goede resultaten, wat in strijd is met het in feite verlagen van bepaalde eisen om studenten makkelijker door het programma te laten gaan.

3. Monitoren studenten met minder dan 45 ECTS

In de notitie wordt een bijna bindend studieadvies van 45 ECTS voorgesteld. ORAS vindt de benaming ‘bijna bindend’ ongelukkig gekozen, maar is positief over het intensiever toezien op en begeleiden van studenten die in het eerste, tweede en derde studiejaar minder dan 45 ECTS behalen. ORAS is wel van mening dat dit absoluut geen voorbode van extra blokkades mag zijn of uiteindelijk een wegsturend karakter mag gaan krijgen, moge de wet dit in de toekomst mogelijk maken. Daarnaast ziet ORAS potentie in een studie-ontwikkelplan voor zwakkere studenten waarin wordt gekeken naar studievoortgang, planning van het tweede en derde studiejaar en eventuele begeleidingstrajecten. Aan de Universiteit Leiden is een dergelijke aanpak geadviseerd, hier zou het effect van kunnen worden bekeken.

4. Blokonderwijs

ORAS gelooft dat er veel winst te behalen valt door het parallelle gehalte van onderwijs zoals dat nu op de TU bestaat, terug te dringen. Uit onderzoeken aan o.a. de Rijksuniversiteit Groningen en later op verschillende universiteiten is dit beeld bevestigd (van der Hulst & Jansen, 20004; van den Berg, 20025). Op dit moment dient de student vier of vijf verschillende vakken, die binnen het curriculum relatief weinig met het elkaar te maken hebben, tegelijkertijd onder de knie te krijgen. Blokken met minder vakken die meer onderlinge cohesie bevatten, bieden studenten een duidelijkere structuur en de meer zichtbare verbanden tussen de vakken zullen een motiverende uitwerking hebben.

Een kanttekening bij dit voorstel is dat ORAS geen voorstander is van volledig serieel (één enkel vak tegelijk) onderwijs. Enerzijds omdat het juist boeiend en stimulerend is om tijdens een periode de interactie die bepaalde vakken met elkaar (kunnen) hebben te ontdekken, anderzijds om de academische vrijheid niet te belemmeren en studenten niet te grote vertragingen op te laten lopen als er door omstandigheden minder aan de studie kan worden besteed in een bepaald kwartaal of periode. ORAS waarschuwt voor het klakkeloos overnemen van de studie-indeling van Geneeskunde. De oorzaak van het hoge studierendement bij Geneeskunde ligt niet aantoonbaar bij het blokonderwijs, maar kan ook toegekend worden aan bijvoorbeeld de selectie aan de poort en de selectie bij specialisatie-instroom.

Verder pleit ORAS ervoor dat de jaarindeling en dus de tentamenperiodes op de hele universiteit gelijk blijven. Momenteel werkt dit namelijk studiebevorderend: de hele studentengemeenschap studeert tijdens de tentamenperioden en in de jaarplanning van studie- en studentenverenigingen wordt hier rekening mee gehouden.

5. Herwaarderen curricula

Bij het eventueel invoeren van het blokonderwijs moeten de curricula automatisch herwaardeerd worden. Mocht het blokonderwijs niet ingevoerd worden, dan meent ORAS nog steeds dat er winst te behalen valt in het heroverwegen van het aantal ECTS en de relevantie van de gegeven vakken binnen het curriculum. ORAS wil wel opmerken dat de curricula van veel bacheloropleidingen vrij recent al veranderingen hebben ondergaan.

Bij het herwaarderen van de curricula pleit ORAS ervoor specifieke voortgangseisen bij vakken te minimaliseren. Verplichten dat een student het ene vak gehaald moet hebben om het andere vak te doen, kan zorgen voor onnodige veel vertraging. Hetzelfde geldt voor het vervallen van project- of practicumcijfers als een tentamen van het bijbehorende vak dat jaar niet wordt gehaald.

6. Selectie aan de poort

ORAS nam met instemming waar dat selectie aan de poort als eerste maatregel wordt genoemd in de notitie, maar is teleurgesteld dat deze niet verder is toegelicht of uitgewerkt.

Dergelijke selectie is met reden een aanbeveling in het rapport van Commissie Veerman. Aankomende studenten worden gedwongen zich beter en eerder te verdiepen in hun studiekeuze. Eenmaal toegelaten hebben zij het gevoel geselecteerd te zijn, wat een motiverende uitwerking zal hebben. Bij de vorm van selectie moet de nadruk liggen op de motivatie van de aankomende student en het juiste beeld van de opleiding en instelling. Cijfers zijn dus van ondergeschikt belang, een scholier met een VWO-diploma en het juiste profiel beschikt in principe over genoeg kennis om te starten aan de TU. Selectie moet ook niet gebruikt worden om het aantal studenten op de TU terug te dringen. Zo is selectie aan de poort eigenlijk niet de juiste term. ORAS zou voortaan graag spreken van ‘Matching aan de poort’: een systeem waarbij dus een goede match tussen student en opleidingen en instelling wordt gevonden. Hierbij is het juiste beeld van de instelling en opleiding en de juiste motivatie van de student leidend.

Additieve suggesties

Dan komt ORAS op dit moment graag met wat punten die de ze mist in het rapport.

1. Kwaliteit college en docent

Het College heeft al aangegeven dat er ook zeker naar de docenten gekeken wordt. ORAS vindt het spijtig dat dit desalniettemin niet nadrukkelijk in het rapport terug komt. Dit is ook al ter sprake gekomen tijdens de laatste Overlegvergadering waarin gesteld werd dat het verplicht bezoeken van zwakkere colleges louter bezigheidstherapie is. Colleges moeten de studenten dienen en niet frustreren. Daartoe dient het onderwijzende niveau van sommige colleges verbeterd te worden.

ORAS heeft een aantal voorstellen om de lage opkomst bij sommige colleges aan te pakken:

Er zijn al vakken waarbij studenten een enquêteformulier krijgen om het vak te evalueren. Voer dit op een – in ieder geval voor de faculteit – uniforme manier TU-breed in en plaats de uitkomsten op Blackboard. Dit biedt de student mogelijkheid zich beter voor te bereiden op een vak en stimuleert docenten zich te verbeteren als hun vak laag scoort.

Verwezenlijken van een duidelijk zichtbaar en toegankelijk punt om eventuele klachten of aanmerkingen over colleges te kennen te geven. Dit moet dan ook werkelijk teruggekoppeld worden aan de docent.

Promovendi moeten een bepaald deel van hun proces besteden aan onderwijs. Bied genoeg andere vormen dan daadwerkelijk onderwijzen om ze hieraan te laten voldoen, zodat een zwak docerende promovendus niet tegen beter weten in voor een groep blijft staan.

Heroverweging van de tijdsduur van colleges; meerdere blokken van 20 minuten in plaats van twee van 45 minuten, om volledige aandacht van studenten te houden.

2. Studie- en Studentenverenigingen

Verder zijn studieverenigingen zeer ondersteunend voor het onderwijs. Studentenverenigingen zijn weer uiterst belangrijk als het gaat om nieuwe studenten de weg te wijzen in Delft, wat helpt om het eerste jaar goed te beginnen. Bovendien zijn de studentenverenigingen verantwoordelijk voor het optimale studieklimaat dat heerst tijdens de witte weken, door hun planning hier volkomen op af te stemmen. De kabinetsplannen zetten deze organen onder druk. Naast het overwegen van nieuwe maatregelen is het dus raadzaam na te gaan welke studie- of studentondersteunende zaken onder druk komen te staan en hoe die in stand te houden.

Maatregelen met negatieve uitwerking

1. Het Bindend Studieadvies verhogen naar 45 ECTS

Het BSa is ingesteld als selecterende maatregel. Er is nooit onderzoek gedaan naar het BSa als voortgangsmaatregel. Anderhalf jaar geleden is het BSa ingesteld om de uitval in het tweede en derde jaar terug te dringen. Hierbij is de implementatie gekopieerd vanuit de Technische Universiteit Eindhoven en er is afgesproken dat het BSa na drie jaar zowel kwalitatief als kwantitatief geëvalueerd zou worden. Zover is het nog niet en bovendien heeft de TU/e haar twijfels geuit over de werking van het BSa en een verhoging naar 45 punten afgeraden. Het rapport zegt echter: ‘Om studenten binnen 4 jaar de bacheloropleiding te laten afronden, is het noodzakelijk dat zij ieder jaar ten minste 45 ECTS behalen. In het eerste jaar moeten studenten die norm derhalve al voorgelegd krijgen.’ Dit is hopeloos kortzichtig en bovendien onjuist: een studieverloop van 35, 45, 50 en 50 resulteert net zo goed in een Bachelordiploma in vier jaar. Uitgerekend in het eerste jaar kunnen studenten tegen veel problemen oplopen die niets te maken hebben met hun potentiele kwaliteiten als academicus. Tot slot is het BSa als voortgangsmaatregel geen oplossing voor een probleem maar een verwijdering ervan. Tenminste, als je al vind dat studenten die het eerste jaar moeite hebben met de nieuwe manier van studeren een ‘probleem’ zijn.

Je kan de reacties op deze post volgen via RSS 2.0 Je kan zelf reageren, of een trackback plaatsen.

Een reactie